ECLI:NL:RVS:2022:3349
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf na hoger beroep vreemdeling
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die de afwijzing bevestigde, is het hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden. De zaak betreft een rechtsvraag die reeds eerder door de Afdeling is beantwoord, met name over het overschrijden van de driemaandentermijn bij nareis.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.