ECLI:NL:RVS:2022:3351
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluit van 6 augustus 2020 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van meerdere vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat bij besluit van 1 april 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen tegen deze besluiten eveneens ongegrond.
De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij voerden onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte een vertaalde kopie van een pagina uit hun familieboekje buiten beschouwing had gelaten. De Afdeling oordeelde dat hoewel de rechtbank dit niet had onderkend, de grief niet slaagt omdat de vreemdelingen geen authentieke documenten of substantieel bewijs hadden overgelegd om hun familierechtelijke relatie te onderbouwen.
Verder oordeelde de Afdeling dat het oordeel van de rechtbank over de motivering van de staatssecretaris inzake artikel 8 EVRM Pro niet verder gemotiveerd hoeft te worden, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.