ECLI:NL:RVS:2022:3456
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit buiten behandeling stellen verblijfsvergunning wegens onvoldoende hoorplicht
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris bij besluit van 4 september 2019 buiten behandeling werd gesteld. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 12 maart 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft afgezien van het horen van de vreemdeling in bezwaar, terwijl op voorhand niet redelijkerwijs kon worden uitgesloten dat het bezwaar tot een ander besluit zou kunnen leiden. Dit is in strijd met artikel 7:3 Awb Pro. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin het belang van horen in vergelijkbare gevallen wordt benadrukt.
Verder is geoordeeld dat de staatssecretaris het bezwaar onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Indien de staatssecretaris wil vasthouden aan zijn standpunt dat de situatie van de vreemdeling niet schrijnend is, moet hij de vreemdeling alsnog horen en de uitkomst daarvan betrekken in de belangenafweging.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het besluit van 12 maart 2020 wordt vernietigd vanwege onvoldoende hoorplicht en de staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.