ECLI:NL:RVS:2022:3495

Raad van State

Datum uitspraak
30 november 2022
Publicatiedatum
30 november 2022
Zaaknummer
202104037/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 8:69 AwbArt. 6:22 AwbArt. 14a Bvr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag extra uren rechtsbijstand wegens niet overschrijden tijdgrens

Op 26 mei 2020 diende appellant een aanvraag in voor extra uren rechtsbijstand voor een zaak met toevoeging 4NQ0513. De Raad voor Rechtsbijstand wees dit op 11 juni 2020 af omdat uit de aanvraag bleek dat tot dan toe 8 uren waren besteed en slechts 4 extra uren werden gevraagd, waardoor de maximale tijdgrens van 21 uur niet werd overschreden.

Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam op 10 mei 2021, waarin het beroep ongegrond werd verklaard, werd hoger beroep ingesteld bij de Raad van State. De appellanten voerden aan dat de Raad onvoldoende had gemotiveerd waarom niet werd afgeweken van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr) en de Werkinstructie, en dat de rechtbank ten onrechte niet op hun betoog over de hoorzitting was ingegaan.

De Raad van State oordeelt dat de Raad voor Rechtsbijstand voldoende heeft gemotiveerd waarom geen extra uren zijn toegekend, omdat de tijdgrens niet werd overschreden en de omstandigheden die in een andere zaak tot afwijking van het Bvr leidden hier niet aanwezig zijn. Ook het betoog over de hoorzitting faalt, omdat appellanten zelf hadden aangegeven niet te willen verschijnen en er geen gegronde aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid van de commissie.

De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor extra uren rechtsbijstand bevestigd.

Uitspraak

202104037/1/A2.
Datum uitspraak: 30 november 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1.       [appellant sub 1], kantoorhoudend te [plaats],
2.       [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2021 in zaak nr. 20/5112 in het geding tussen:
[appellant sub 1] en [appellant sub 2]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2020 heeft de raad de aanvraag van [appellant sub 1] om extra uren voor rechtsbijstand aan [appellant sub 2] afgewezen.
Bij besluit van 14 september 2020 heeft de raad het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 mei 2021 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 16 november 2022, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Op 26 mei 2020 heeft [appellant sub 1] een aanvraag voor extra uren ingediend op de toevoeging met het kenmerk 4NQ0513. Bij het besluit van 11 juni 2020 heeft de raad de aanvraag van [appellant sub 1] afgewezen omdat de tijdgrens van 21 uur voor deze zaak niet wordt overschreden.
1.1.    Aan het besluit op bezwaar heeft de raad ten grondslag gelegd dat uit het verzoek blijkt dat er tot dusver 8 uren waren besteed en toestemming wordt gevraagd voor het verrichten van 4 uren extra. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat de urengrens van 21 uur zal worden overschreden. Verder kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel volgens de raad niet slagen, aangezien de raad in de zaak die [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben genoemd niet tot het verlenen van extra uren over had moeten gaan. De raad wijst erop dat een bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak een gemaakte fout niet hoeft te herhalen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank.
Wet- en regelgeving
2.       De relevante wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van belang is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Aangevallen uitspraak
3.       Naar het oordeel van de rechtbank is de motivering van het besluit van 14 september 2020 ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet afdoende.
De rechtbank heeft echter aanleiding gezien het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft daartoe in aanmerking genomen dat de raad in het verweerschrift en op de zitting voldoende heeft gemotiveerd dat er ten opzichte van de zaak met toevoeging 4NS4385 geen sprake is van gelijke gevallen. In die zaak ging het om een verzoek om extra uren op grond van artikel 14a van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr) voor een vervolgberoep vreemdelingenbewaring. Zoals blijkt uit de Werkinstructie Vaststellen (hierna: de Werkinstructie) ligt in dergelijke zaken  de grens voor extra uren op 9 uur. De raad heeft het bezwaar in die zaak kennelijk gegrond verklaard, omdat het slechts ging om 1 extra uur en de raad een mogelijke dwangsom als gevolg van een ingebrekestelling riskeerde. Het was niet mogelijk om het bezwaar na een ingebrekestelling binnen twee weken volgens de reguliere procedure af te handelen. Na een kosten-batenanalyse is de raad daarom bewust afgeweken van het Bvr en de Werkinstructie. In dat licht heeft de raad volgens de rechtbank goed gemotiveerd dat de extra uren in die zaak zijn verstrekt zonder de regelgeving correct toe te passen. Er is dus geen sprake van gelijke gevallen.
Hoger beroep
4.       [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen redenen zijn om af te wijken van het Bvr en de Werkinstructie. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] had de raad inhoudelijk moeten motiveren waarom er in dit specifieke geval geen aanleiding bestaat om de gevraagde extra uren toe te kennen. Nu de raad heeft erkend dat van het Bvr en de Werkinstructie wordt afgeweken wanneer de raad dit noodzakelijk acht, had de raad moeten motiveren waarom hiertoe in deze zaak geen aanleiding bestaat.
Verder betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over dat wat zij naar voren hebben gebracht over de hoorzitting. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] verwijzen naar punt 7 van het beroepschrift, waarin zij stellen dat een hoorzitting een verspilling van tijd en moeite zou zijn omdat de Commissie voor Bezwaar bevooroordeeld was. De uitspraak van de rechtbank is onvoldoende gemotiveerd omdat de rechtbank niets heeft overwogen over de hoorzitting, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2].
4.1.    De Afdeling is van oordeel dat de raad voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding was om extra uren toe te kennen. Tussen partijen is niet in geschil dat het aantal verleende uren rechtsbijstand de tijdgrens van de zaak nog niet had overschreden. De raad heeft er in de schriftelijke uiteenzetting op gewezen dat hij in een andere zaak is afgeweken van het Bvr om in die zaak spelende redenen. Die redenen spelen niet in deze zaak, zodat geen aanleiding bestaat om opnieuw van het Bvr af te wijken.  [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben verder geen omstandigheden aangevoerd die voor de raad aanleiding hadden moeten zijn om af te wijken van het beleid dat is neergelegd in de Werkinstructie zoals geldend ten tijde van belang. De raad heeft zich daarom, onder verwijzing naar het Bvr en de Werkinstructie, terecht op het standpunt gesteld dat hij niet gehouden was om extra uren toe te kennen.
Het betoog faalt.
4.2.    Ook het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] over de hoorzitting volgt de Afdeling niet. Hoewel de rechtbank ingevolge artikel 8:69 van Pro de Awb de beroepsgrond van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] over de hoorzitting had moeten bespreken, leidt die beroepsgrond niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Daartoe neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 1] bij e-mailbericht van 7 september 2020 heeft laten weten niet aanwezig te zijn bij de hoorzitting omdat dit volgens hem geen zinnige bijdrage levert aan de bezwaarprocedure. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb mocht de raad daarom afzien van het horen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Dat wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd over de hoorzitting vormt geen reden voor een ander oordeel. Dat zij een klacht hebben ingediend tegen de commissie, maakt nog niet dat de commissie bevooroordeeld was. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben deze stelling niet nader toegelicht.
Het betoog faalt.
Conclusie
5.       Het hoger beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Zanten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2022
97-1022
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbenden kan worden afgezien indien:
[…]
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
[…]
Artikel 8:69
1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
[…]
Werkinstructie Vaststellen ‘art. 05a Bvr vervolgaanvraag asiel’
Extra urengrens
Voor het berekenen van de tijdgrens vermenigvuldig je het aantal punten dat hoort bij de zaakcode met twee. Bepalend is dus het aantal punten dat aan de toevoegcode is gekoppeld.
Voorbeelden tijdgrens:
Procedure V070 (vaststelcodes V073-V074): 3 x 7 punten = 21 uur.
[…]