ECLI:NL:RVS:2022:3527

Raad van State

Datum uitspraak
1 december 2022
Publicatiedatum
1 december 2022
Zaaknummer
202206274/1/V2 en 202206274/2/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 92 Vw 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen ongewenstverklaring vreemdeling

De vreemdeling is bij besluit van 2 juni 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ongewenst verklaard. Hiertegen maakte zij bezwaar, dat bij besluit van 27 september 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 oktober 2022 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Raad van State constateerde dat het hogerberoepschrift niet tijdig was ingediend, aangezien de termijn voor het instellen van hoger beroep op 1 november 2022 eindigde en het beroepschrift daarna werd ontvangen.

De vreemdeling voerde aan dat het overlijden van een kantoorgenoot van haar gemachtigde een reden was voor de late indiening, maar de Raad van State oordeelde dat dit geen geldige reden was om af te wijken van de termijn. Er was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat geen maatregelen getroffen konden worden om tijdig hoger beroep in te dienen.

Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

202206274/1/V2 en 202206274/2/V2.
Datum uitspraak: 1 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 4 oktober 2022 in zaak nr. NL21.16865 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 juni 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling ongewenst verklaard.
Bij besluit van 27 september 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 oktober 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Handring, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten.
Overwegingen
1.       De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 1 november 2022. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat de vreemdeling heeft aangevoerd over het overlijden van de kantoorgenoot van haar gemachtigde op 17 september 2022, is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen. Hoe tragisch deze situatie ook is, daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat de gemachtigde van de vreemdeling geen enkele maatregel kon treffen om te bewerkstelligen dat de termijn voor het instellen van hoger beroep kon worden veiliggesteld.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Verheij
voorzieningenrechter
w.g. Iedema
griffier
915