ECLI:NL:RVS:2022:3527
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen ongewenstverklaring vreemdeling
De vreemdeling is bij besluit van 2 juni 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ongewenst verklaard. Hiertegen maakte zij bezwaar, dat bij besluit van 27 september 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 oktober 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Raad van State constateerde dat het hogerberoepschrift niet tijdig was ingediend, aangezien de termijn voor het instellen van hoger beroep op 1 november 2022 eindigde en het beroepschrift daarna werd ontvangen.
De vreemdeling voerde aan dat het overlijden van een kantoorgenoot van haar gemachtigde een reden was voor de late indiening, maar de Raad van State oordeelde dat dit geen geldige reden was om af te wijken van de termijn. Er was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat geen maatregelen getroffen konden worden om tijdig hoger beroep in te dienen.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.