ECLI:NL:RVS:2022:3588
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- E. Steendijk
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering toeslagen ondanks bijzondere omstandigheden appellant
De Belastingdienst/Toeslagen stelde in 2018 de voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag voor appellant vast op basis van een laag toetsingsinkomen. Later werd het definitieve toetsingsinkomen aanzienlijk hoger vastgesteld, waardoor de toeslagen werden teruggevorderd.
Appellant voerde aan dat zij bijzondere omstandigheden had, waaronder een eenmalige uitkering uit de ontbonden huwelijksgemeenschap die zij gebruikte voor het aflossen van schulden, en dat terugvordering tot onevenredig zware gevolgen leidde. Zij betoogde dat de Belastingdienst had moeten afzien van terugvordering of deze matigen.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst terecht uitging van het door de inspecteur vastgestelde inkomen en dat de aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormden die terugvordering konden verhinderen. Ook werd gewezen op de mogelijkheid van een persoonlijke betalingsregeling.
In hoger beroep herhaalde appellant haar standpunten, maar de Afdeling bestuursrechtspraak vond de motivering van de rechtbank voldoende en bevestigde het oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de Belastingdienst hoefde geen proceskosten te betalen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van toeslagen blijft in stand.