ECLI:NL:RVS:2022:3659
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan
De vreemdeling heeft bij besluit van 15 augustus 2018 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dit verzoek afgewezen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag, die het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaarde, heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Raad van State.
De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet uitgezet zou worden voordat op het hoger beroep was beslist. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat de staatssecretaris het verblijfsdocument onterecht heeft geweigerd.
Gezien de belangen van beide partijen en het voorlopig oordeel, heeft de voorzieningenrechter besloten het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen. Tevens hoeft de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de weigering van het verblijfsdocument wordt afgewezen.