ECLI:NL:RVS:2022:3686
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- C.J. Borman
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsontneming na asielafwijzing
De vreemdeling kwam op 29 september 2022 aan in Nederland en deed een asielaanvraag. De staatssecretaris legde een vrijheidsontnemende maatregel op op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Na afwijzing van de asielaanvraag op 5 oktober 2022 en het instellen van beroep op 12 oktober 2022, werd de maatregel op 17 oktober 2022 gewijzigd en opnieuw opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond, maar de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 6, derde lid, Vw 2000 na het verstrijken van de beroepstermijn als grondslag kon dienen voor vrijheidsontneming. Volgens het geldende beleid en de rechtsmiddelenclausule in het asielbesluit was de vrijheidsontneming na 12 oktober 2022 onrechtmatig.
De staatssecretaris had binnen twee dagen na het verstrijken van de beroepstermijn een besluit moeten nemen over de weigering van toegang en het opleggen van een nieuwe maatregel, wat niet tijdig gebeurde. De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en kent de vreemdeling een schadevergoeding toe over de periode van 14 tot en met 17 oktober 2022. Tevens worden de proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel was onrechtmatig na het verstrijken van de beroepstermijn en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend.