ECLI:NL:RVS:2022:3694
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluit van 17 juni 2020 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van meerdere vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd bij besluit van 16 januari 2021 ongegrond verklaard.
De vreemdelingen stelden vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 11 juni 2021 het beroep gegrond verklaarde wegens een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek in het besluit van de staatssecretaris. De rechtbank vernietigde het besluit en beval de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat het motiveringsgebrek eenvoudig te herstellen is en het hogerberoepschrift geen vragen bevat die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin dienen. De Raad van State bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.