ECLI:NL:RVS:2022:3709
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 oktober 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verkrijgen af. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd bij besluit van 31 maart 2020 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 8 juli 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en oordeelde dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel was gekomen. Het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe vragen die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft hiermee het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.