ECLI:NL:RVS:2022:3712
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen uitspraak rechtbank over niet tijdig besluit verblijfsvergunning
De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde zich in eerste instantie onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Hiertegen deed de vreemdeling verzet, dat door de rechtbank werd afgewezen. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat tegen een uitspraak op verzet tegen onbevoegdheid geen hoger beroep mogelijk is op grond van artikel 8:104, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het hoger beroep kan slechts worden doorbroken indien sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, wat hier niet het geval was.
Daarom verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens werd geoordeeld dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Raad van State.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.