ECLI:NL:RVS:2022:373
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake inreisverbod en bewaring vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 3 november 2021 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling en stelde hem in bewaring. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank, die op 18 november 2021 de beroepen ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij stelde dat de verlenging van de ophouding in strijd was met artikel 50, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat niet was gemotiveerd waarom het vermoeden bestond dat hij geen rechtmatig verblijf had en welk onderzoek nog moest plaatsvinden. De Afdeling erkende dat deze motivering ontbrak, maar oordeelde dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat de belangenverhouding niet disproportioneel was en de oorspronkelijke termijn niet was overschreden.
Het hoger beroep werd verder ongegrond verklaard, mede omdat het geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.