AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vernietiging last onder dwangsom wegens ontbreken overtreding openbare plaats inbrekerswerktuigen
Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven legde aan [wederpartij] een last onder dwangsom op wegens het vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen op een openbare plaats. Deze last was gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politie waarin werd vastgesteld dat [wederpartij] met dergelijke werktuigen was aangetroffen.
De rechtbank oordeelde echter dat [wederpartij] niet op een openbare plaats maar op een afgesloten terrein was aangetroffen en dat er onvoldoende feitelijke grondslag was om aan te nemen dat hij zich eerder met de werktuigen op een openbare plaats had begeven. Het college stelde in hoger beroep dat de werktuigen waren gebruikt om het afgesloten terrein te betreden en dat antecedenten van [wederpartij] dit aannemelijk maakten.
De Raad van State overwoog dat de bestuurlijke rapportage bevestigt dat [wederpartij] op het afgesloten terrein werd aangetroffen en dat de rol van een tweede verdachte onduidelijk is. Ook is niet uitgesloten dat de werktuigen afkomstig waren van het terrein zelf. De antecedenten van [wederpartij] en het gebruik van een scootmobiel bieden geen voldoende grondslag voor het college om het verbod op het vervoeren van inbrekerswerktuigen op een openbare plaats te handhaven.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De zaak benadrukt het belang van een voldoende feitelijke grondslag voor bestuursrechtelijke handhaving op basis van de Algemene plaatselijke verordening.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag voor overtreding openbare plaats.
Uitspraak
202108108/1/A3.
Datum uitspraak: 14 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 november 2021 in zaak nr. 21/837 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te Eindhoven,
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2020 heeft het college aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 17 maart 2021 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 november 2021 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 30 november 2020 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2022, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.D. van Leeuwen, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat te Best, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft [wederpartij] gelast om geen inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben op een openbare plaats in de gemeente Eindhoven onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 10.000,00. Hieraan heeft het college een op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie van 16 oktober 2020 ten grondslag gelegd.
2. De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op de bevindingen in de bestuurlijke rapportage, het college kon aannemen dat bij [wederpartij] inbrekerswerktuigen zijn aangetroffen. [wederpartij] is alleen niet op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 2:44, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Eindhoven (hierna: Apv) aangetroffen met inbrekerswerktuigen, maar op een voor het publiek afgesloten terrein. De bevindingen bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor de stelling van het college dat [wederpartij] met die werktuigen eerder op een openbare plaats is geweest. De enkele aanname dat [wederpartij] zich over de openbare weg moet hebben verplaatst om bij het afgesloten terrein te komen, is daartoe onvoldoende. Hieruit volgt dat er geen sprake is van een overtreding van het verbod van artikel 2:44 vanPro de Apv en dat daarom ook niet is voldaan aan de voorwaarden voor de bevoegdheid van het college om een last onder dwangsom op te leggen, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
3. Het college bestrijdt de overweging van de rechtbank dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor de stelling dat [wederpartij] met de inbrekerswerktuigen eerder op een openbare plaats is geweest. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt volgens het college dat de inbrekerswerktuigen, in ieder geval voor een deel, zijn gebruikt om [wederpartij] onrechtmatig de toegang tot het afgesloten terrein te verschaffen. Daarom is aannemelijk dat [wederpartij] zich met de inbrekerswerktuigen op een openbare plaats heeft moeten begeven om op het afgesloten terrein te komen. Verder blijkt uit controle van de politieregisters dat [wederpartij] zich voornamelijk bezighoudt met diefstal en heling van fietsen en dat hij eerder vermogensdelicten met braak in de nachtelijke uren heeft gepleegd. Het college stelt dat het deze strafrechtelijke antecedenten bij de besluitvorming mocht betrekken.
[wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door de politie aangetroffen inbrekerswerktuigen van het afgesloten terrein afkomstig zijn. Zijn verklaring dat hij op het afgesloten terrein in de nachtelijke uren een vriend aan het zoeken is geweest, acht het college niet aannemelijk.
Het college betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de bespreking van de beroepsgrond van [wederpartij] dat de scootmobiel met de inbrekerswerktuigen, die is aangetroffen bij het hek van het afgesloten terrein, niet van hem was. Het college acht niet aannemelijk dat [wederpartij] niet wist wat er in de tas zat die op de scootmobiel stond. [wederpartij] heeft dat niet onderbouwd. Verder is volgens het college van belang dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat het de politie ambtshalve bekend is dat [wederpartij] frequent gebruik maakt van scootmobielen.
Oordeel
3.1. In de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie staat het volgende. Op 7 oktober 2020 om 02:43 uur ontving de meldkamer van de politie de melding dat zich op het terrein van de voormalige middelbare school Floor Evers twee mannen bevonden die niet bevoegd waren om daar te zijn. Het schoolgebouw, dat werd gesloopt door een aannemer, lag op een omheind terrein en werd door een beveiligingsbedrijf bewaakt. Op camerabeelden was te zien dat een van deze personen met een kruiwagen over het terrein rondliep. De politie heeft het terrein omsingeld. Een hond van het team surveillancehonden vond buiten het terrein verse menselijke reuksporen die leidden naar een bosschage waar een blauwe scootmobiel en een fiets stonden. De hondengeleider zag dat op deze scootmobiel een tas stond die geopend was. In deze tas zat een elektrische accu-slijptol. De hondengeleider zag dat de omheining naast de scootmobiel opengebroken was en dat bij de opening in de omheining een schroef-accuboormachine op de grond lag. Deze machine leek gebruikt te zijn om de omheining van het terrein te forceren. De hondengeleider zag dat binnen de omheining naast de opening in het hekwerk een kruiwagen stond waarin diverse gereedschappen en goederen lagen. De reuksporen leidden vervolgens naar [wederpartij] die zich op het terrein had verstopt. [wederpartij] heeft verklaard dat hij op het afgesloten terrein in de nachtelijke uren een vriend aan het zoeken is geweest. Hij verklaarde met de fiets te zijn gekomen. Bij onderzoek aan zijn kleding werden bij hem een in werking zijnde hoofdlamp en twee zakmessen aangetroffen. In de directe omgeving van de plaats waar [wederpartij] werd aangehouden leidde het reukspoor naar een paar werkhandschoenen die op de grond lagen. Bij het onderzoek ter plaatse stelde de politie vast dat de op het terrein aangetroffen gereedschappen en andere waardevolle goederen ogenschijnlijk waren verzameld om weggenomen te worden. [wederpartij] is op heterdaad aangehouden wegens diefstal door middel van braak in vereniging gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, of een poging daartoe, en wegens het vervoeren van inbrekersgereedschappen. De tweede verdachte heeft de plaats delict weten te ontvluchten. Uit controle van de politieregisters blijkt dat [wederpartij] sinds 11 mei 1993 een groot aantal antecedenten heeft op het gebied van vermogensdelicten. In juni 2020 werd [wederpartij] verdacht van diefstal van een tweetal fietsen, een overige eenvoudige diefstal, een gewoonteheling, diefstal van een snor-/bromfiets en oplichting. In november 2019 werd [wederpartij] verdacht van heling en diefstal van een fiets, aldus de bestuurlijke rapportage.
3.2. Artikel 2:44, eerste lid, van de Apv luidt: ‘Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns, rooftassen of enig ander voorwerp dat of enige stof die ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw, voertuig of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.’ In het tweede lid is bepaald dat dit verbod niet van toepassing is op degene die ter plaatse en ten genoegen van een toezichthouder aannemelijk maakt dat genoemde voorwerpen of stoffen bestemd zijn of gebruikt worden voor andere handelingen dan die in het eerste lid zijn genoemd.
3.3. De vraag is of op grond van de bevindingen in de bestuurlijke rapportage, aannemelijk is dat [wederpartij] artikel 2:44, eerste lid, van de Apv heeft overtreden. Een bestuursorgaan mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, moet worden onderzocht of, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen, dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
3.4. In de bestuurlijke rapportage is vermeld dat de politie [wederpartij] heeft aangetroffen op een omheind terrein waar een voormalig middelbareschoolgebouw werd gesloopt. De politie heeft [wederpartij] niet aangetroffen op een openbare plaats. Het college stelt zich op het standpunt dat [wederpartij] op een openbare plaats inbrekerswerktuigen heeft vervoerd of bij zich heeft gehad en zich met de inbrekerswerktuigen op een openbare plaats heeft moeten begeven om de niet-openbare plek te kunnen bereiken. Dit standpunt is gebaseerd op de vermelding in de rapportage, dat bij de opening in de omheining een schroef-accuboormachine op de grond lag, die gebruikt leek om de omheining van het terrein te forceren. In de bestuurlijke rapportage is echter ook vermeld dat [wederpartij] heeft verklaard dat hij zich per fiets naar het terrein heeft begeven en daar op zoek was naar een vriend en de politie heeft geconstateerd dat een ‘tweede verdachte’ het terrein heeft weten te ontvluchten. De rol van deze tweede persoon en het verband tussen [wederpartij] en de scootmobiel zijn onduidelijk. Niet valt uit de sluiten dat die tweede persoon zich met de schroef-accuboormachine op een openbare plaats heeft begeven om het terrein te kunnen bereiken. Hetzelfde geldt voor de accu-slijptol die in de tas van de scootmobiel is aangetroffen. Verder is van belang dat de politie [wederpartij] heeft aangetroffen op een terrein waar sloopwerkzaamheden plaatsvonden en waar zich wegens de aard van deze werkzaamheden gereedschappen bevonden. Ook valt niet uit te sluiten dat de hoofdlamp en twee zakmessen die bij [wederpartij] zijn aangetroffen, van het terrein afkomstig waren. Gelet op deze feiten en omstandigheden is er gerede twijfel over de juistheid van het standpunt van het college, dat [wederpartij] op een openbare plaats inbrekerswerktuigen heeft vervoerd of bij zich heeft gehad. Wat het college aanvoert over de antecedenten van [wederpartij] en dat het de politie ambtshalve bekend is dat hij frequent gebruik maakt van een scootmobiel, maakt dat niet anders. De bevindingen van de bestuurlijke rapportage bieden onvoldoende grondslag voor de conclusie van het college, dat [wederpartij] artikel 2:44, eerste lid, van de Apv heeft overtreden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom.
3.5. Het betoog slaagt niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven een griffierecht van € 541,00 wordt geheven;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. R.J. Koopman en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.