ECLI:NL:RVS:2022:3768

Raad van State

Datum uitspraak
15 december 2022
Publicatiedatum
15 december 2022
Zaaknummer
202103406/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ongeloofwaardigheid homoseksuele geaardheid

De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 15 juni 2020 opnieuw is afgewezen. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak de staatssecretaris de gelegenheid gegeven om het besluit te herstellen, waarna het besluit is aangevuld. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat de staatssecretaris de homoseksuele geaardheid van de vreemdeling niet ten onrechte ongeloofwaardig acht. Tevens is voldoende gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn toegedichte homoseksuele geaardheid problemen in Oeganda kan verwachten.

De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank over en ziet geen aanleiding tot verdere motivering, aangezien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarmee de aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen.

Uitspraak

202103406/1/V2.
Datum uitspraak: 15 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 10 februari 2021 en haar uitspraak van 29 april 2021 in zaak nr. NL20.13592 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Bij tussenuitspraak van 10 februari 2021 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.
Bij brieven van 1 maart 2021 en 2 maart 2021 heeft de staatssecretaris het besluit van 15 juni 2020 aangevuld.
Bij uitspraak van 29 april 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraken heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen dat de staatssecretaris de homoseksuele geaardheid van de vreemdeling niet ten onrechte ongeloofwaardig acht en voldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van een toegedichte homoseksuele geaardheid problemen kan verwachten in Oeganda. De Afdeling neemt deze motivering over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
w.g. Bijloos
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwinkels
griffier
307-987