ECLI:NL:RVS:2022:3915

Raad van State

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
202101660/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2 WaboArt. 2.18 WaboArt. 7:12 AwbArt. 2 Kapverordening Rijssen-Holten 2017Art. 4 Kapverordening Rijssen-Holten 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over omgevingsvergunning voor kappen lindebomen in Rijssen-Holten

Het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten verleende omgevingsvergunningen voor het kappen van drie lindebomen op een parkeerterrein achter de Haarstraat in Rijssen. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vergunningen, met name over de bevoegdheid van het college, de belangenafweging en de herplantplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten gegrond vanwege onvoldoende motivering over de herplantplicht in één van de besluiten, maar liet de rechtsgevolgen van dat besluit in stand omdat het college alsnog voldoende had gemotiveerd dat er voldoende compensatie was.

In hoger beroep betoogden appellanten onder meer dat het college niet bevoegd was zonder raadbesluit, dat het herinrichtingsplan niet aan de raadscommissie was voorgelegd, dat de belangenafweging onjuist was en dat de herplantplicht onvoldoende was opgelegd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college wel bevoegd was, dat het niet voorleggen van het herinrichtingsplan aan de raadscommissie geen onrechtmatigheid oplevert, en dat de belangenafweging inclusief de beeldbepalende waarde van de bomen voldoende was gemotiveerd. Ook was het college niet verplicht om een herplantplicht te verbinden aan elke vergunning, en was de compensatie met vier nieuwe bomen passend.

De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak benadrukt de beleidsruimte van het college bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor het kappen van bomen en de toetsing aan de kapverordening en Wabo.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202101660/1/R3.
Datum uitspraak: 21 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B] (hierna: [appellanten]), beiden wonend te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 februari 2021 in zaak nr. 20/378 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten.
Procesverloop
Bij besluiten van 29 januari 2019 en 25 september 2019 heeft het college aan de gemeente Rijssen-Holten omgevingsvergunningen verleend voor het kappen van, zover hier van belang, drie lindebomen op het parkeerterrein achter de Haarstraat te Rijssen.
Bij besluit van 10 februari 2020 heeft het college de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 februari 2021 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 februari 2020 vernietigd voor zover dit de heroverweging van het besluit van 29 januari 2019 betreft en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2022, waar het college, vertegenwoordigd door drs. R.A. Habing en ing. J.H.M. Korenromp, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Het kappen van de bomen is volgens de gemeente Rijssen-Holten nodig voor de herinrichting van een parkeerterrein dat is gelegen achter de Haarstraat in Rijssen. Op 19 december 2018 heeft de gemeente Rijssen-Holten een omgevingsvergunning aangevraagd voor het kappen van 8 bomen, waaronder een lindeboom ter hoogte van het perceel [locatie] te Rijssen. Dit perceel is kadastraal bekend als gemeente Rijssen, sectie F, nummer 3770. Deze omgevingsvergunning heeft het college verleend op 29 januari 2019. Aan deze omgevingsvergunning heeft het college geen herplantplicht verbonden voor zover het gaat om de lindeboom ter hoogte van het perceel [locatie].
Op 27 juni 2019 heeft de gemeente Rijssen-Holten een omgevingsvergunning aangevraagd voor het kappen van 2 lindebomen op het parkeerterrein achter de Haarstraat en het Hogepad te Rijssen. Dit perceel is kadastraal bekend als gemeente Rijssen, sectie F, nummer 3770. Deze omgevingsvergunning heeft het college verleend op 25 september 2019. Aan deze omgevingsvergunning heeft het college de plicht verbonden om vier valse-christusdoorns te herplanten.
Bij besluit van 10 februari 2020 heeft het college de hiertegen door [appellanten] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten van 29 januari 2019 en 25 september 2019 in stand gelaten.
De uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft overwogen dat het college de noodzaak om de lindebomen te kappen voldoende heeft aangetoond en in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van een optimale herinrichting van het parkeerterrein dan aan het belang van het behoud van de bomen. Hierbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat de drie lindebomen weliswaar als beeldbepalend zijn aangemerkt, maar dat het gaat om een parkeerterrein in het centrum van Rijssen dat omsloten is door bebouwing en niet om een locatie met een natuurlijk en groen karakter.
Over de herplantplicht die is verbonden aan de omgevingsvergunning van 25 september 2019 heeft de rechtbank overwogen dat er nog een bestaande herplantplicht is van twee bomen op basis van een kapvergunning uit 2017. In plaats van de twee lindebomen die nog gekapt moeten worden, zullen er vier nieuwe bomen terugkomen. In totaal zullen er dus zes bomen worden geplant. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat daarmee voldoende compensatie wordt geboden voor de lindebomen die verdwijnen.
Over het besluit van 29 januari 2019 is de rechtbank van oordeel dat het college in het besluit van 10 februari 2020 ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom er geen herplantplicht is verbonden aan deze vergunning. Het college had hier volgens de rechtbank een gemotiveerd standpunt over in moeten nemen. Omdat dat niet is gebeurd, is het besluit van 10 februari 2020 in zoverre volgens de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd en daarom in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard en het besluit van 10 februari 2020 vernietigd voor zover dit de heroverweging van het primaire besluit van 29 januari 2019 betreft. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 10 februari 2020 in stand te laten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het college in het verweerschrift en op de zitting alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom de herplant van in totaal zes bomen genoeg compensatie biedt voor de lindebomen die verdwijnen, inclusief de al gekapte lindeboom nabij het perceel [locatie] waarop de omgevingsvergunning van 29 januari 2019 ziet.
Toetsingskader
3.       Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) luidt:
"Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning."
Artikel 2.18 van de Wabo luidt:
"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening."
Artikel 2 van Pro de Kapverordening Rijssen-Holten 2017 (hierna: de kapverordening) luidt:
"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden van het bevoegd gezag de houtopstanden binnen een bebouwde kom te vellen of te doen vellen, die staan vermeld op de als zodanig gewaarmerkte kaarten met waardevolle bomen en de bij die kaart behorende lijst met waardevolle boombeplanting, die als bijlagen bij deze verordening behoren, uitgezonderd houtopstand met een diameter tot en met 20 centimeter, gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld.
[…]
4. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften."
Artikel 4 luidt Pro:
"De omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden kan worden geweigerd op grond van:
a. de natuurwaarde van de houtopstand;
b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand."
Bevoegdheid
4.       [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was de gevraagde omgevingsvergunningen te verlenen. Volgens hen had het college de raad vóór het verlenen van de omgevingsvergunningen een voorstel moeten doen om de lijst met waardevolle bomen te herzien, omdat de raad deze lijst heeft vastgesteld. Daarbij wijzen zij op de toelichting bij de kapverordening. Bij de behandeling van deze verordening in de raadscommissie is volgens hen uitgesproken dat op korte termijn na de vaststelling van de kapverordening een evaluatie uitgevoerd moet worden over het gevoerde kapbeleid.
4.1.    De Afdeling overweegt dat het college op grond van de Wabo in samenhang gelezen met de kapverordening bevoegd is om de gevraagde omgevingsvergunningen te verlenen. Dat in de toelichting op de kapverordening is opgenomen dat de lijst van waardevolle bomen jaarlijks zal worden bijgesteld, maakt niet dat het college alleen bevoegd is te beslissen over aanvragen om omgevingsvergunningen nadat het eerst de raad heeft verzocht de lijst met waardevolle bomen te herzien. Wat in de toelichting op de kapverordening is opgenomen, heeft geen juridisch bindende werking. Evenmin maakt de behandeling van de kapverordening in de raadscommissie dat het college niet bevoegd zou zijn op een aanvraag om omgevingsvergunning te beslissen. Uit wat [appellanten] aanvoeren is niet gebleken dat een besluit van de raad was vereist. Dit betekent dat het college bevoegd was de gevraagde omgevingsvergunningen te verlenen.
Het betoog slaagt niet.
Procedureel
5.       [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het herinrichtingsplan van het parkeerterrein, waarvoor de lindebomen moeten wijken, ten onrechte niet is voorgelegd aan de raadscommissie grondgebied. Daardoor konden [appellanten] niet inspreken bij die commissie over de voorgenomen kap van de lindebomen.
5.1.    Het aan een raadscommissie voorleggen van het herinrichtingsplan dat aan een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunningsvergunning voor het vellen van houtopstand ten grondslag ligt, maakt geen deel uit van de procedure zoals die voor die vergunning is geregeld in de Wabo. Dat het herinrichtingsplan van het parkeerterrein niet is voorgelegd aan een raadscommissie maakt de verleende omgevingsvergunningen daarom niet onrechtmatig.
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging kapvergunningen
6.       [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunningen de aan de orde zijnde belangen onvoldoende heeft afgewogen. Ook zijn de overwegingen van de rechtbank volgens hen in strijd met het toetsingskader omdat de rechtbank een oordeel zou hebben gegeven over de beeldbepalende waarde van de lindebomen.
Daarbij wijzen zij erop dat uit een rapport van 12 januari 2017 blijkt dat de lindebomen, waarvoor op 25 september 2019 een omgevingsvergunning is verleend, gezond zijn en geen noemenswaardige gebreken vertonen. Verder wordt in een ambtelijk advies van 19 maart 2019, dat betrekking heeft op de aanvraag van de omgevingsvergunning van 25 september 2019, ten onrechte niet ingegaan op het beeldbepalende karakter van de lindebomen. Bovendien wordt hierop in het besluit van 25 september 2019 evenmin ingegaan. Volgens [appellanten] weegt het belang van de herinrichting van een parkeerterrein niet op tegen het belang van het behoud van de lindebomen. Ook heeft het college in een brief van 7 mei 2019 aan omwonenden van het parkeerterrein ten onrechte niet vermeld dat de lindebomen beeldbepalend zijn.
Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het handhaven van de lindebomen betekent dat 10 tot 15 parkeerplaatsen minder gerealiseerd kunnen worden. Volgens [appellanten] heeft het verdwijnen van parkeerplaatsen vooral te maken met het groter maken van de parkeervakken en dus niet met het al dan niet verdwijnen van de lindebomen. Alternatieven zijn ten onrechte niet onderzocht door het college.
In de belangenafweging heeft het college verder ten onrechte geen rekening gehouden met de belangrijke functie van bomen, onder meer vanwege het verkoelingseffect in binnensteden. Daarbij wijzen [appellanten] op een rapport van de universiteit van Wageningen en op brieven van voormalige ministers van Landbouw.
Ook wijzen zij erop dat de raad aandringt op terughoudendheid bij het kappen van bomen. In dit verband wijzen zij op een motie van
6 november 2020 voor het maken van een nieuwe groenstructuurvisie die door de raad unaniem is aangenomen en op schriftelijke vragen van een politieke partij en een krantenartikel.
6.1.    In het besluit van 29 januari 2019 staat dat de lindeboom ter hoogte van het perceel [locatie] voor meer dan 50% is aangetast door de Dikrandtonderzwam en dat de boom geen kans meer heeft op herstel.
In het besluit van 25 september 2019 staat:
"Voorliggende aanvraag betreft het kappen van de 2 overgebleven bomen op het parkeerterrein. Voordat voorliggende aanvraag is ingediend zijn circa 65 omwonenden geïnformeerd van het voornemen om de twee linden te kappen. Hierop hebben 32 personen gereageerd. 23 Omwonenden zijn voor de kap van de bomen, 9 aanwonenden zijn voor behoud van de lindebomen. Omwonenden die voor de kap zijn moedigen een herindeling van het parkeerterrein aan, waardoor parkeeroverlast (foutief parkeren en onlogische indeling) wordt tegengegaan en de staat van het huidige straatwerk wordt verbeterd. Ook wordt "honingdauw’ genoemd als overlast voor geparkeerde auto’s op het parkeerterrein. De 9 aanwonenden die tegen de kap zijn vinden het jammer dat dat de bomen verdwijnen uit het straatbeeld. Aansluitend is het college van burgemeester en wethouders geadviseerd het parkeerterrein te herindelen waarbij de lindebomen worden gekapt. Het college van burgemeester en wethouders heeft in haar vergadering van 25 juni 2019 ingestemd met het verder uitwerken van de plannen omtrent de herinrichting van het parkeerterrein waarbij de bomen gekapt zullen worden. Omdat er nog onduidelijkheid was over de status van de 2 te kappen bomen is het college van burgemeester en wethouders gevraagd dat in heroverweging te nemen. In haar vergadering van 25 september heeft zij (opnieuw) besloten dat de twee bomen, waarvoor deze vergunning is verleend, gekapt kunnen worden."
Verder staat in het besluit van 25 september 2019:
"Ik heb de technisch medewerker groen om advies gevraagd. Hij geeft aan dat de aanvrager voornemens is het parkeerterrein opnieuw in te richten. Hierdoor kunnen de bomen niet worden gehandhaafd. Daarnaast zijn in de bomen diverse holtes en zijn in het verleden diverse problemen met de bomen geweest. Hij adviseert, mede gelet op veiligheidsoverwegingen, de 2 lindebomen te kappen en een nieuwe boomstructuur te beginnen. Tegen het kappen van de 2 lindebomen bestaat geen bezwaar. Hij heeft afgesproken dat er elders op het parkeerterrein 4 bomen worden herplant om in de toekomst weer mooie beeldbepalende bomen te krijgen."
6.2.    Op basis van de in het dossier aanwezige stukken overweegt de Afdeling dat [appellanten] de noodzaak van het kappen van de lindeboom die op grond van de verleende omgevingsvergunning van 29 januari 2019 mag worden gekapt, niet bestrijden. Op het ontbreken van een herplantplicht in deze omgevingsvergunning gaat de Afdeling in onder de overwegingen 7 en volgende.
6.3.    Het college heeft bij het verlenen van de omgevingsvergunningen voor het vellen van de lindebomen een belangenafweging gemaakt tussen de herinrichting van het parkeerterrein en het behoud van de lindebomen. Daarbij heeft het college beleidsruimte. Het college heeft daarover ter zitting toegelicht dat het college streeft naar een leefbare omgeving en dat daarin meerdere aspecten zijn betrokken, zoals het behoud van groen, maar dat ook gekeken is naar parkeerdruk en een optimale inrichting van het parkeerterrein. Dat in een rapport van een boomtechnisch inspecteur van 12 januari 2017 staat dat de lindebomen gezond zijn, betekent nog niet dat het college daarom de gevraagde omgevingsvergunning van 25 september 2019 niet kon verlenen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de kapverordening er niet aan in de weg staat dat het college een omgevingsvergunning verstrekt voor het kappen van gezonde bomen.
6.4.    Op grond van artikel 4 van Pro de kapverordening is een van de weigeringsgronden voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden de beeldbepalende waarde van de houtopstand. In het besluit van 25 september 2019 wordt verwezen naar het herplanten van bomen zodat in de toekomst weer mooie beeldbepalende bomen terugkomen. Verder staat in de motivering van het besluit van 10 februari 2020 dat het belang van de bomen is meegewogen. Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling dat het college de beeldbepalende waarde van de bomen heeft meegewogen in de gemaakte belangenafweging. Daarover overweegt de Afdeling verder dat het college niet verplicht is een weigeringsgrond toe te passen, maar dat het college een weigeringsgrond kan toepassen; het college heeft daarbij beleidsruimte. Dat in het ambtelijke advies van 19 maart 2019 niet wordt ingegaan op het beeldbepalende karakter van de te kappen lindebomen maakt het besluit van 25 september 2019 nog niet onrechtmatig, omdat uit dit besluit blijkt dat de beeldbepalende waarde van de bomen wel bij de besluitvorming is betrokken. Het college was ook niet gehouden in de op 7 mei 2019 gestuurde brief te vermelden dat de lindebomen beeldbepalend zijn. De genomen besluiten liggen in deze zaak voor en niet de brief van 7 mei 2019.
6.5.    Over de oorzaak van het vervallen van 10 tot 15 parkeerplaatsen bij het niet kappen van de lindebomen en het ontbreken van een onderzoek naar mogelijke alternatieven van het college overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de bestaande parkeervakken te klein zijn en niet passen binnen de huidige normen voor parkeerplaatsen en daarom groter moeten worden gemaakt. Daardoor kunnen ook minder auto’s worden geparkeerd. Volgens het college is het vervallen van parkeerplaatsen bij het niet kappen van de lindebomen niet alleen te wijten aan grotere parkeervakken. Het college wijst erop dat de wortels van de lindebomen problemen in de parkeervakken veroorzaken door wortelopdruk. Hierdoor worden stenen van de parkeerplaatsen omhoog gedrukt. Bij het handhaven van de lindebomen zou daardoor veel ruimte om die bomen moeten worden vrijgelaten, wat ten koste gaat van het aantal te realiseren parkeervakken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het alternatief om de bomen te behouden niet past binnen de uitgangspunten, mede als gevolg van de richtlijnen voor de maatvoering van de reconstructie, het te berijden wegdek en bereikbaarheid van de parkeerplaatsen.
6.6.    De omstandigheid dat de raad op 6 mei 2020 een motie heeft aangenomen waaruit [appellanten] afleiden dat de raad wil dat het college terughoudend omgaat met het verlenen van kapvergunningen kan ook niet leiden tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen. Deze motie is van na het verlenen van de omgevingsvergunningen en ziet bovendien op de politieke relatie tussen het college en de raad. Dit geldt ook voor de schriftelijke vragen waar [appellanten] op wijzen. Het toetsingskader is neergelegd in de kapverordening en wordt niet gevormd door wat politieke partijen na de vaststelling van de kapverordening van een aanvraag om omgevingsvergunning vinden.
6.7.    Over de waarde van bomen voor het klimaat overweegt de Afdeling dat het college ter zitting heeft toegelicht dat het college zich ervan bewust is dat het kappen van een boom een stap terug is. Het college heeft echter ook een herplantplicht verbonden aan de omgevingsvergunning van 25 september 2019. Gelet op de beleidsruimte die aan het college toekomt ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college het belang van een optimale herinrichting van het parkeerterrein niet mocht laten prevaleren boven het behoud van de lindebomen.
6.8.    Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat het college de noodzaak om de lindebomen te kappen voldoende heeft aangetoond en meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van een optimale herinrichting van het parkeerterrein dan aan het belang van het behoud van de lindebomen. Voor zover de rechtbank daarbij heeft betrokken dat de locatie van de lindebomen omsloten is door bebouwing en niet een locatie is met een groen en natuurlijk karakter, overweegt de Afdeling dat de rechtbank daarmee geen oordeel heeft gegeven over de beeldbepalende waarde van de lindebomen. Er bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank in strijd is met het toetsingskader.
Herplantplicht
7.       [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college beleidsregels voor het opleggen van een herplantplicht heeft opgesteld. Daarbij wijzen ze op een interne notitie waarin criteria staan over de herplantplicht. Omdat deze notitie deel uitmaakt van de totstandkoming van de kapverordening, behoort deze notitie volgens hen tot het toetsingskader voor aanvragen om omgevingsvergunning voor het kappen van bomen. Bovendien blijkt ook uit informatie die het college in vergaderingen van de raadscommissie en de gemeenteraad heeft gegeven, dat het vaste praktijk is dat aan omgevingsvergunningen voor het kappen van bomen een herplantplicht wordt verbonden.
De rechtbank heeft verder ten onrechte verwezen naar het herinrichtingsplan voor het parkeerterrein wat betreft het aantal bomen die volgens dat plan zullen worden geplant. Daarin is een nieuwe bomenstructuur opgenomen die voorziet in minimaal 6 bomen. Dit betreft een uitvoeringplan, waaraan burgers geen rechten kunnen ontlenen volgens [appellanten]. Wanneer tijdens de uitvoering zou blijken dat herplant van 6 bomen niet wenselijk wordt geacht, kunnen belanghebbenden niet om handhaving verzoeken en ontbreekt een rechtsgang.
Verder wijzen [appellanten] op een verleende omgevingsvergunning van 27 november 2017 waarin een nog lopende verplichting staat tot herplant van 2 lindebomen in verband met de kap van 2 platanen. Volgens [appellanten] heeft het college in de omgevingsvergunning van 29 januari 2019 ten onrechte geen voorschrift tot herplant van een boom opgenomen. Bovendien staat de waarde van de te herplanten bomen in geen enkele verhouding tot de waarde van de kap van de 2 platanen en 3 beeldbepalende lindebomen.
Volgens [appellanten] had de rechtbank niet de rechtsgevolgen van het besluit van 10 februari 2020 voor zover dat is vernietigd, in stand mogen laten.
7.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen beleidsregels zijn vastgesteld over de herplantplicht bij vergunningen voor het kappen van bomen. De interne notitie waar [appellanten] op wijzen is niet een dergelijke beleidsregel. Dat deze notitie in het kader van de totstandkoming van de kapverordening naar de raadscommissie grondgebied is gestuurd, betekent nog niet dat deze notitie onderdeel uitmaakt van het toetsingskader voor het beoordelen van aanvragen om omgevingsvergunningen voor het vellen van houtopstanden. De kapverordening is het door de raad vastgestelde toetsingskader waaraan het college aanvragen voor omgevingsvergunningen voor het vellen van houtopstanden toetst.
7.2.    De Afdeling stelt voorop dat de omgevingsvergunning van 27 november 2017 in deze zaak niet ter beoordeling voorligt. Dit betekent dat de Afdeling niet ingaat op de herplantplicht die daaraan verbonden zou zijn en de uitvoering daarvan. De Afdeling overweegt dat het college aan de verleende omgevingsvergunning van 29 januari 2019 een herplantplicht heeft verbonden voor 2 bomen, maar niet voor de inmiddels gekapte lindeboom ter hoogte van het perceel [locatie].
Aan de omgevingsvergunning van 25 september 2019 heeft het college een herplantplicht verbonden voor het herplanten van vier valse christusdoorns. Deze moeten binnen een jaar na aanvang van de werkzaamheden zijn geplant. Het nieuwe beplantingsmateriaal moet minimaal de voorgeschreven maat van 16-18 (stamomtrek tussen 16 en 18 cm gemeten op 1 meter hoogte vanaf stamvoet) hebben.
7.3.    In de kapverordening is geen verplichting opgenomen voor het college om aan een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden een herplantplicht te verbinden. Ter zitting heeft het college daarover toegelicht dat als vuistregel wordt gehanteerd dat voor elke boom die gekapt wordt ook een boom terugkomt. Verder heeft het college toegelicht dat voor het kappen van 2 lindebomen in totaal 4 bomen terugkomen. Daarom is het volgens het college niet nodig om alsnog een herplantplicht te verbinden aan de omgevingsvergunning van 29 januari 2019. De Afdeling acht dit, in het licht van wat [appellanten] daarover naar voren hebben gebracht, geen onredelijk standpunt. Daarbij betrekt de Afdeling dat in totaal 3 lindebomen worden gekapt en 4 valse christusdoorns worden teruggeplant. Ook wordt hiermee tegemoet gekomen aan de gedragslijn van het college dat voor elke boom in beginsel een boom moet worden teruggeplant. Dit betekent dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat in totaal genoeg bomen worden herplant.
Over het soort bomen dat wordt herplant overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft toegelicht dat valse christusdoorns ten opzichte van lindebomen voor minder wortelgroei zorgen. In wat [appellanten] daarover hebben gesteld ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt van het college onjuist is. Verder hebben zij ook niet gemotiveerd dat het herplanten van de bomen niet in verhouding staat tot de lindebomen die verdwijnen. Het college heeft daarover toegelicht dat grote bomen zorgen voor disproportionele kosten en dat grotere bomen ook moeilijker aanslaan na aanplant. De Afdeling acht dit standpunt niet onbegrijpelijk.
7.4.    Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 10 februari 2020 in stand gelaten.
Conclusie
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.
w.g. Wortmann
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lap
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2022
288-866