ECLI:NL:RVS:2022:3944
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing asielaanvragen wegens ongeloofwaardig asielrelaas
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 4 maart 2021 de aanvragen van twee vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 31 maart 2021 hun beroepen ongegrond verklaarde. Vervolgens stelden zij hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het asielrelaas van de vreemdelingen niet geloofwaardig was. De werkrelatie met een bepaalde persoon bood onvoldoende basis voor de gestelde vrees, en de verklaringen van de vreemdelingen waren gebaseerd op aannames en niet overtuigend. Ook was het ongeloofwaardig dat zij problemen hadden met de Iraanse overheid.
Het hoger beroep bevatte geen vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden, zodat het oordeel van de rechtbank niet verder gemotiveerd hoefde te worden. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarbij de staatssecretaris geen proceskosten hoefde te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvragen wordt bevestigd.