ECLI:NL:RVS:2022:4004

Raad van State

Datum uitspraak
29 december 2022
Publicatiedatum
29 december 2022
Zaaknummer
202207360/3/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake vervroegde afgifte machtiging tot voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 18 oktober 2022 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor de vreemdelingen ingewilligd, met de bepaling dat zij vanaf 18 april 2023 een afspraak konden maken bij het consulaat in Istanbul voor het aanvragen van een mvv-sticker. De rechtbank had dit besluit vernietigd voor zover het de datum van 18 april 2023 betrof, omdat dit te lang zou duren. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, waarmee hij wilde voorkomen dat de uitspraak van de rechtbank direct uitgevoerd moest worden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om schorsing niet kan worden toegewezen. De staatssecretaris hoeft geen machtiging meer te verlenen, die is al toegekend. Het gaat slechts om het eerder mogelijk maken van het afhalen van de mvv-sticker. De belangen van de vreemdelingen bij een spoedige afgifte wegen zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om uitvoering van de uitspraak uit te stellen. Uitvoering van de uitspraak vergt geen onevenredige inspanning.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.J.C. de Moor-van Vugt op 29 december 2022.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitspraak

202207360/3/V1.
Datum uitspraak: 29 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 december 2022 in zaak nr. NL22.25050 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 18 oktober 2022 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, ingewilligd. Daarbij heeft de staatssecretaris bepaald dat de vreemdelingen vanaf 18 april 2023 een afspraak kunnen maken bij de Nederlandse ambassade (de Afdeling leest: het consulaat) te Istanbul om een mvv-sticker aan te vragen.
Bij uitspraak van 23 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover daarin is bepaald dat de vreemdelingen pas vanaf 18 april 2023 een afspraak kunnen maken om een mvv-sticker aan te vragen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 23 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3966, heeft de voorzieningenrechter, vooruitlopend op de behandeling van het verzoek, bij wijze van ordemaatregel bepaald dat de staatssecretaris geen uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank hoeft te geven tot de Afdeling op het resterende deel van het verzoekschrift heeft beslist.
De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat de Afdeling op het verzoek om een voorlopige voorziening en/of het hoger beroep heeft beslist.
2.       Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdelingen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank strekt er niet toe dat de staatssecretaris een machtiging tot voorlopig verblijf moet verlenen. De aanvraag daarvoor heeft de staatssecretaris immers al ingewilligd. De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat uitvoering van de uitspraak van de staatssecretaris geen onevenredige inspanning vergt. De staatssecretaris hoeft de vreemdelingen volgens de uitspraak immers alleen in de gelegenheid te stellen eerder dan 18 april 2023 hun mvv-sticker af te halen. Het belang van de vreemdelingen bij een spoedige afgifte van de mvv-sticker weegt daarom in dit geval zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om geen uitvoering te hoeven geven aan de uitspraak van de rechtbank.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        wijst het verzoek af;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Y.W.E. Senden, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
voorzieningenrechter
w.g. Senden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2022
886