ECLI:NL:RVS:2022:461

Raad van State

Datum uitspraak
14 februari 2022
Publicatiedatum
14 februari 2022
Zaaknummer
202106745/1/V3.
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf

De vreemdeling heeft bij besluit van 19 mei 2016 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris is afgewezen. Hiertegen maakte zij bezwaar dat op 2 april 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit bij uitspraak van 29 september 2021. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State, waarbij ook de staatssecretaris voorwaardelijk incidenteel hoger beroep instelde.

De griffier informeerde de vreemdeling over de verplichting tot betaling van griffierecht, met een uiterste betaaldatum van 9 november 2021. Deze betaling bleef uit, ondanks een herinneringsbrief van 21 december 2021 waarin werd gewaarschuwd dat niet-betaling tot niet-ontvankelijkheid kan leiden. De vreemdeling gaf aan geen redenen te hebben om het niet betalen te rechtvaardigen.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het niet voldoen van het griffierecht binnen de gestelde termijn. Hierdoor verviel ook het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris. De staatssecretaris is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.

Uitspraak

202106745/1/V3.
Datum uitspraak: 14 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 29 september 2021 in zaak nr. 20/2496 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 19 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 2 april 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 september 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling zich nader uitgelaten.
Overwegingen
1.       De griffier heeft de vreemdeling er bij brief op gewezen dat zij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Haar is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 9 november 2021 te voldoen. Omdat de vreemdeling dit niet heeft gedaan, heeft de griffier haar bij aangetekende brief van 21 december 2021 laten weten dat het griffierecht binnen twee weken na de dag van verzending van de brief op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. De vreemdeling heeft te kennen gegeven dat er geen voorschoonbare redenen zijn waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris is daarmee vervallen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Annen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2022
765