ECLI:NL:RVS:2022:461
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf
De vreemdeling heeft bij besluit van 19 mei 2016 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris is afgewezen. Hiertegen maakte zij bezwaar dat op 2 april 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit bij uitspraak van 29 september 2021. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State, waarbij ook de staatssecretaris voorwaardelijk incidenteel hoger beroep instelde.
De griffier informeerde de vreemdeling over de verplichting tot betaling van griffierecht, met een uiterste betaaldatum van 9 november 2021. Deze betaling bleef uit, ondanks een herinneringsbrief van 21 december 2021 waarin werd gewaarschuwd dat niet-betaling tot niet-ontvankelijkheid kan leiden. De vreemdeling gaf aan geen redenen te hebben om het niet betalen te rechtvaardigen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het niet voldoen van het griffierecht binnen de gestelde termijn. Hierdoor verviel ook het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris. De staatssecretaris is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.