ECLI:NL:RVS:2022:477
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdelingen in hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 23 september 2019 de aanvraag van vier vreemdelingen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaarde, werd hoger beroep ingesteld. De vreemdelingen verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen zolang het hoger beroep loopt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep in stand zou blijven. Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen waardoor de vreemdelingen niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van €759,00, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand.
Deze uitspraak beschermt de vreemdelingen tegen voortijdige uitzetting en waarborgt hun recht op een eerlijke procedure tijdens het hoger beroep. De beslissing werd op 15 februari 2022 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos.
Uitkomst: De vreemdelingen mogen niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.