AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij afwijzing VOG-aanvraag
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG) door de minister voor Rechtsbescherming. Na een eerdere afwijzing en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling heeft in een eerdere uitspraak op 1 december 2021 de afwijzing van een latere VOG-aanvraag van appellant bevestigd. Inmiddels beschikt appellant over een VOG naar aanleiding van een nieuwe aanvraag. Hierdoor heeft appellant geen procesbelang meer bij de inhoudelijke behandeling van het huidige hoger beroep.
De advocaat van appellant heeft de Afdeling hiervan op de hoogte gesteld en verzocht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De Afdeling volgt dit verzoek en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Uitspraak
202004727/1/A3.
Datum uitspraak: 23 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2020 in
zaak nr. 19/4409 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister voor Rechtsbescherming.
Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2019 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.
Bij besluit van 12 augustus 2019 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juli 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
Met toestemming van partijen is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek krachtens artikel 8:57, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft over een latere aanvraag van [appellant] om afgifte van een VOG op 1 december 2021 uitspraak gedaan en de afwijzing van die aanvraag in stand gelaten (ECLI:NL:RVS:2021:2705). Verder beschikt [appellant] naar aanleiding van een nieuwe aanvraag inmiddels over een VOG. Bij brief van 8 februari 2022 heeft zijn advocaat de Afdeling ervan in kennis gesteld dat er voor [appellant] geen procesbelang meer bestaat bij een inhoudelijke behandeling van de zaak en wordt verzocht om hem in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Bij deze stand van zaken ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant] geen procesbelang meer heeft.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen