ECLI:NL:RVS:2022:589
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening machtiging tot voorlopig verblijf na erkenning adoptie
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 13 juli 2020 werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een afwijzing van het beroep door de rechtbank, stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht hij om een voorlopige voorziening.
Eerder werd dit verzoek op 5 november 2021 afgewezen. Op 24 december 2021 diende de vreemdeling een nieuw verzoek in, ditmaal met het argument dat zijn Gambiaanse adoptie door zijn adoptiemoeder inmiddels was erkend in een beschikking van de burgerlijke rechter van 8 december 2021. Hij wenste hereniging met zijn adoptiemoeder in Nederland, mede vanwege haar medische situatie.
De voorzieningenrechter zag echter geen aanleiding om het verzoek alsnog toe te wijzen. De afwijzing werd gehandhaafd en de staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 24 februari 2022 door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgewezen.