ECLI:NL:RVS:2022:681

Raad van State

Datum uitspraak
9 maart 2022
Publicatiedatum
9 maart 2022
Zaaknummer
202100811/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:69 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet-beoordeling belangen minderjarige kinderen in asielprocedure

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 8 december 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling ging hiertegen in beroep bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 27 januari 2021 ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de rechtbank niet was ingegaan op haar aanvullende beroepsgrond dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van haar minderjarige kinderen, met name hun religieuze overtuigingen en de gevolgen van terugkeer naar Iran. De Afdeling constateerde dat deze beroepsgrond wel ter zitting was besproken, maar niet in de uitspraak was beoordeeld, wat in strijd is met artikel 8:69, eerste lid, Awb.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug om alsnog inhoudelijk te worden beoordeeld met inachtneming van de belangen van de minderjarige kinderen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling met inachtneming van de belangen van de minderjarige kinderen.

Uitspraak

202100811/1/V2.
Datum uitspraak: 9 maart 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 januari 2021 in zaak nr. NL20.21428 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 27 januari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.J. de Boer, advocaat te Sneek, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend waarop de vreemdeling heeft gereageerd.
Overwegingen
1.       Volgens de staatssecretaris is de vreemdeling met onbekende bestemming vertrokken. De vreemdeling heeft echter laten weten dat zij contact onderhoudt met haar gemachtigde, dat zij nog in Nederland verblijft en de procedure wil doorzetten. De Afdeling stelt daarom vast dat de vreemdeling nog steeds belang heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579, onder 2).
2.       De vreemdeling klaagt in haar derde grief dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar aanvullende beroepsgrond dat de staatssecretaris de belangen van haar minderjarige kinderen niet heeft meegenomen in de besluitvorming.
2.1.    Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, doet de bestuursrechter uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
2.2.    In de bij brief van 20 januari 2021 door de vreemdeling bij de rechtbank ingediende aanvullende beroepsgronden, heeft zij onder andere betoogd dat de staatssecretaris de belangen van haar minderjarige kinderen ten onrechte niet bij de besluitvorming heeft betrokken. Zij heeft er daarbij op gewezen dat haar kinderen met haar naar de kerk zijn geweest, dat met name haar zoon geïnteresseerd is in het christendom, en dat hij in Iran niet de mogelijkheid heeft om in vrijheid hiervoor te kiezen.
2.3.    Uit de aantekeningen van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank op 21 januari 2021 blijkt dat deze aanvullende beroepsgrond met partijen is besproken. Hoewel de rechtbank ter zitting heeft opgemerkt dat de aanvullende beroepsgronden in de beoordeling worden meenomen, is op de beroepsgrond over de minderjarige kinderen in de aangevallen uitspraak niet ingegaan. Dit verdraagt zich niet met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Hieruit vloeit voort dat de grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is alleen al hierom gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. Hierbij zal de beroepsgrond over de belangstelling van de minderjarige kinderen voor het christendom alsnog inhoudelijk door de rechtbank moeten worden beoordeeld. Vanwege de samenhang van deze beroepsgrond met de gestelde bekering van de vreemdeling en de in dit verband door haar gestelde problemen bij terugkeer naar Iran, ziet de Afdeling geen aanleiding om wat zij daarover in hoger beroep verder heeft aangevoerd op dit moment te beoordelen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.                 vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 27 januari 2021 in zaak nr. NL20.21428;
III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2022
309-986