ECLI:NL:RVS:2022:790
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel na motiveringsgebrek
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af bij besluiten van 11 juli 2019 en 30 juni 2020. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 21 december 2020 het beroep gegrond verklaarde, de besluiten vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang zijn van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het motiveringsgebrek dat de rechtbank constateerde kan eenvoudig worden hersteld.
Daarnaast moet de staatssecretaris het asielmotief van de vreemdeling over zijn afvalligheid nader beoordelen in het licht van een recente uitspraak van 19 januari 2022. De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van €759,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.