ECLI:NL:RVS:2022:800
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- J.M.L. Niederer
- J.J.W.P. van Gastel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving last onder dwangsom wegens overschrijding mestverwerkingscapaciteit
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant legde op 17 april 2020 een last onder dwangsom op aan een mestverwerkingsbedrijf vanwege het innemen en verwerken van meer dan 36.500 ton dierlijke mest per jaar, wat volgens het college in strijd was met voorschrift 1.1.1 van de veranderingsvergunning uit 2014.
Hoewel het college het besluit later introk en de maximale doorzet van dierlijke mest verhoogde naar 72.000 ton per jaar, verklaarde het bezwaar tegen de last onder dwangsom ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat ondanks het ontwerpbesluit tot verhoging van de capaciteit, handhavend optreden gerechtvaardigd was vanwege klachten over geuroverlast en het belang van naleving van milieuregels.
In hoger beroep stelde het bedrijf dat de vergunning reeds toeliet om 72.000 ton dierlijke mest te verwerken en dat het college daarom niet had mogen handhaven. De Afdeling bestuursrechtspraak volgde de rechtbank en oordeelde dat de vergunning een onderscheid maakt tussen dierlijke mest en co-substraten, met afzonderlijke maxima, waardoor de overschrijding van 36.500 ton dierlijke mest een overtreding vormde.
De Afdeling bevestigde dat het college een belangenafweging heeft gemaakt en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om af te zien van handhaving. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom blijft gehandhaafd wegens overschrijding van de maximale mestverwerkingscapaciteit.