ECLI:NL:RVS:2022:807
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 23 september 2020 de aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af en droeg haar op de EU binnen vier weken te verlaten. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 14 januari 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 5 juli 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris een onjuiste bewijsmaatstaf en beoordelingskader had gehanteerd bij het beoordelen van de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling, in strijd met eerdere jurisprudentie en het arrest Chavez-Vilchez van het HvJEU. Hierdoor was het besluit ondeugdelijk gemotiveerd.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 14 januari 2021, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De griffierechten werden niet vergoed omdat deze niet waren geheven.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het verblijfsdocument is vernietigd.