ECLI:NL:RVS:2022:824

Raad van State

Datum uitspraak
23 maart 2022
Publicatiedatum
23 maart 2022
Zaaknummer
202005228/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 januari 2020 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel af en legde een terugkeerbesluit op. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het terugkeerbesluit. Zowel de vreemdeling als de staatssecretaris gingen in hoger beroep. Op 7 maart 2022 nam de staatssecretaris een nieuw terugkeerbesluit, waartegen de vreemdeling opnieuw beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen totdat op de hoger beroepen is beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat het besluit van 7 maart 2022 in stand zou blijven en besloot daarom de voorlopige voorziening toe te wijzen.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd op 23 maart 2022 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op de hoger beroepen is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202005228/2/V3.
Datum uitspraak: 23 maart 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende de hoger beroepen van onder meer:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 25 september 2020 in zaak nr. NL20.810 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen om Nederland binnen vier weken te verlaten (dit laatste hierna: het terugkeerbesluit).
Bij uitspraak van 25 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover het is gericht tegen het terugkeerbesluit, het terugkeerbesluit vernietigd en het besluit voor het overige in stand gelaten.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 7 maart 2022 heeft de staatssecretaris opnieuw een terugkeerbesluit genomen.
Tegen dat besluit heeft de vreemdeling bij de Afdeling beroepsgronden ingediend. Ook heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat is beslist op de door hem en de staatssecretaris ingestelde hoger beroepen en het beroep tegen het besluit van 7 maart 2022, dat ingevolge artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, bij die beoordeling wordt betrokken.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet op voorhand aannemelijk dat het besluit van 7 maart 2022 in stand zal blijven. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet voordat op de ingestelde hoger beroepen is beslist;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Bechinka
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2022
371-907