ECLI:NL:RVS:2022:891
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling heeft bij besluit van 21 juni 2021 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond op 28 februari 2022. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter overweegt dat de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van een eerder verleende verblijfsvergunning asiel, geldig tot 26 februari 2024. Er is geen terugkeerbesluit uitgevaardigd door de staatssecretaris. Hierdoor ontbreekt het belang van de vreemdeling bij het verzoek om een voorlopige voorziening.
Gelet op het ontbreken van belang wordt het verzoek afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Soffers op 24 maart 2022.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.