ECLI:NL:RVS:2022:894
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 16 december 2020 opnieuw werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep op 8 april 2021 ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
In het hoger beroep stelde de vreemdeling onder meer dat hij zijn herkomst met documenten had onderbouwd. De Raad van State oordeelde echter dat hoewel in een eerdere procedure werd erkend dat de vreemdeling documenten had overgelegd, dit niet betekent dat hij zijn herkomst aannemelijk had gemaakt in de huidige procedure. Verder oordeelde de Raad dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, waardoor geen verdere motivering noodzakelijk was.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 24 maart 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.