ECLI:NL:RVS:2022:907
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 4 februari 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een document te verkrijgen dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan aantoont, af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 28 juni 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde deze beslissing op 1 december 2020. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris een onjuiste bewijsmaatstaf en beoordelingskader had gehanteerd bij de beoordeling van de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. De Afdeling verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat een vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit ook met andere middelen dan geldige documenten aannemelijk kan maken, en dat de staatssecretaris alle aangedragen middelen in onderlinge samenhang moet beoordelen.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van 28 juni 2019 vernietigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. Het griffierecht hoefde niet te worden vergoed omdat dit in hoger beroep niet was geheven.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens onjuiste bewijsmaatstaf en beoordelingskader, en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.