ECLI:NL:RVS:2022:91
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van inhoudelijk verweer tegen uitspraak rechtbank
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 4 oktober 2021 besloten om de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 1 december 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hoger beroep gaf de vreemdeling echter geen inhoudelijke gronden aan waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel vellen over het hoger beroep.
Op grond van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard. De staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden. Het vonnis werd uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Raad van State op 13 januari 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een inhoudelijk verweer.