ECLI:NL:RVS:2022:911
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen voorgenomen uitzetting vreemdeling
De vreemdeling had op 2 januari 2018 een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek te verkrijgen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke aanvraag door de staatssecretaris werd afgewezen. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat bij besluit van 31 augustus 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die bij uitspraak van 25 februari 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de voorgenomen uitzetting op 26 maart 2022 niet zou plaatsvinden. De voorzieningenrechter overwoog dat het hoger beroep nog niet was behandeld en dat het belang van de vreemdeling bij het voorkomen van onmiddellijke uitzetting zwaarder woog.
Daarom werd bij wijze van ordemaatregel de voorgenomen uitzetting op 26 maart 2022 opgeschort. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toerekenbaar waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De voorgenomen uitzetting van de vreemdeling op 26 maart 2022 wordt opgeschort en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.