ECLI:NL:RVS:2022:932
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging Nederlanderschap geweigerd wegens onvoldoende onafgebroken hoofdverblijf in Nederland
Appellante, die sinds 1998 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd had, werd in 2005 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen omdat zij volgens verklaringen van haar echtgenoot met hun kinderen in Egypte verbleef. De staatssecretaris trok daarop in 2011 haar verblijfsvergunning in, maar de rechtbank vernietigde dat besluit in 2012 wegens onvoldoende beoordeling van medische stukken die het langdurige verblijf in Egypte zouden verklaren.
De burgemeester weigerde in 2018 te bevestigen dat appellante het Nederlanderschap had verkregen, omdat zij niet kon aantonen dat zij gedurende 15 jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf in Nederland had gehad zoals vereist volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap. Appellante voerde aan dat de verklaringen van haar echtgenoot haar niet tegen konden worden geworpen en dat zij door haar medische situatie niet kon reizen, waardoor zij buiten haar schuld langer dan zes maanden buiten Nederland verbleef.
De Raad van State oordeelde dat de verklaringen van de echtgenoot als getuigenverklaringen mochten worden meegewogen en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar hoofdverblijf in Nederland was gebleven. Ook was niet gebleken dat zij door haar medische situatie niet kon reizen in de relevante periode. Daarmee faalden haar bezwaren en werd het hoger beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt dat het aan de betrokkene is om aannemelijk te maken dat het hoofdverblijf niet is verplaatst, en dat langdurig verblijf in het buitenland zonder voldoende bewijs van buiten schuld gelegen omstandigheden leidt tot weigering van het Nederlanderschap.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van bevestiging van het Nederlanderschap wordt bevestigd.