ECLI:NL:RVS:2023:1051
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende inspanning oplossing woonproblemen
Appellant woont met zijn gezin in een woning in Den Haag en ervaart gezondheids- en psychische problemen, evenals een te kleine en slecht onderhouden woning. Hij vroeg een urgentieverklaring aan, die het college van burgemeester en wethouders op 17 april 2020 afwees wegens het niet voldoen aan de Huisvestingsverordening Den Haag 2019. Het college stelde dat appellant niet alles had gedaan om de problemen met de verhuurder op te lossen en dat de woning voldeed aan de wettelijke eisen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het college ten onrechte geen onderzoek door een GGD-arts had laten uitvoeren en dat zijn echtgenote ernstige psychische problemen heeft. De Raad van State oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd, zoals medische verklaringen, om dit standpunt te onderbouwen.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat het college terecht de afwijzingsgrond van artikel 4:5, onder c, van de Huisvestingsverordening toepaste, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij alles had gedaan om zijn huisvestingsprobleem op te lossen. Ook was de woning passend voor het gezin. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.