ECLI:NL:RVS:2023:115
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 februari 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit op 6 mei 2021. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten ongegrond op 15 april 2022. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) niet slaagde, omdat zij onvoldoende rekening had gehouden met de emotionele banden tussen de vreemdeling en haar in Nederland verblijvende dochter. De staatssecretaris had nagelaten een volledige belangenafweging te maken zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en beval de staatssecretaris binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Daarbij moet de staatssecretaris de vreemdeling horen en een volledige belangenafweging maken met inachtneming van de actuele feiten en omstandigheden. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met een volledige belangenafweging.