ECLI:NL:RVS:2023:1257
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering handhaving dakterras zonder bouwvergunning
Appellant verzocht het college handhavend op te treden tegen een dakterras op het achterhuis van een pand te Leiden vanwege vermeende geluidoverlast en het ontbreken van een bouwvergunning. Het college wees het verzoek af, stellende dat een bouwvergunning was verleend. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit tot handhaving ongegrond en oordeelde dat de bouwvergunning het dakterras legaliseerde.
In hoger beroep stelde appellant dat de bouwvergunning het dakterras niet omvatte, omdat uit de aanvraag en bouwtekeningen niet kon worden afgeleid dat het dakterras onderdeel was van de vergunningaanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het dakterras op de tekeningen zowel bij de bestaande als nieuwe toestand stond ingetekend, waardoor niet kon worden geconcludeerd dat het dakterras onderdeel van de aanvraag was. Daarom was het dakterras zonder vergunning gerealiseerd.
Daarnaast betwistte appellant dat het achterhuis een vrijstaand bijbehorend gebouw is, zodat de bouwvergunning voor het appartement in het achterhuis niet in strijd zou zijn met het bestemmingsplan. De Afdeling volgde de rechtbank hierin en oordeelde dat het achterhuis door een gang verbonden is met het hoofdgebouw.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het besluit van 2 juli 2019 in stand liet, en bepaalde dat het college opnieuw moet beslissen op het bezwaar tegen het handhavingsbesluit. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het college moet opnieuw beslissen over het handhavingsverzoek betreffende het dakterras.