AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking duurzaam verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan
Bij besluit van 23 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het duurzaam verblijfsrecht van de vreemdeling als gemeenschapsonderdaan ingetrokken. De vreemdeling maakte bezwaar, dat bij besluit van 29 april 2022 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren totdat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke uiteenzetting.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitspraak van de rechtbank niet strekt tot erkenning van verblijfsrecht op grond van EU-recht en dat uitvoering van de uitspraak geen onherstelbare gevolgen heeft. Ook vergt uitvoering geen onevenredige inspanning. Daarom werd het verzoek afgewezen en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 837,00.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitspraak
202301834/2/V3.
Datum uitspraak: 4 april 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 22 februari 2023 in zaak nr. NL22.8666 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2021 heeft de staatssecretaris het duurzaam verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan van de vreemdeling ingetrokken en vastgesteld dat zij geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.
Bij besluit van 29 april 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en vastgesteld dat de vreemdeling nooit een verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan heeft gehad.
Bij uitspraak van 22 februari 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. De uitspraak van de rechtbank strekt er niet toe dat de staatssecretaris een verblijfsrecht op grond van het EU-recht moet erkennen. Uitvoering van de uitspraak heeft daarom geen gevolgen die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt. De voorzieningenrechter vindt verder van belang dat uitvoering van de uitspraak van de staatssecretaris geen onevenredige inspanning vergt.
3. Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.