ECLI:NL:RVS:2023:1633
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing huurtoeslag wegens ontbreken CIZ-indicatie en terugvordering voorschotten
De Belastingdienst/Toeslagen stelde het recht van appellant op huurtoeslag over 2019 op nihil omdat het gezamenlijke inkomen van appellant, zijn partner en zijn thuiswonende zoon te hoog was. Appellant voerde aan dat zijn zoon vanwege een verzorgingsbehoefte bij hem woonde en dat het inkomen van de zoon daarom buiten beschouwing moest blijven. Omdat appellant geen indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) overlegde, werd dit verzoek afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat een CIZ-indicatie noodzakelijk is om een verzorgingsbehoefte vast te stellen en dat de door appellant overgelegde specialistenverklaring niet volstaat. De rechtbank vernietigde het besluit over de terugvordering wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State bevestigde dat zonder CIZ-indicatie het inkomen van de zoon terecht werd meegeteld bij de huurtoeslagberekening. Ook achtte de Afdeling de motivering van de terugvordering in het verweerschrift voldoende. De mogelijkheid tot een persoonlijke betalingsregeling werd benadrukt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van € 2.847,00 blijft gehandhaafd.