ECLI:NL:RVS:2023:1956

Raad van State

Datum uitspraak
24 mei 2023
Publicatiedatum
22 mei 2023
Zaaknummer
202202428/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:118 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking hoger beroep in vreemdelingenzaak

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een vreemdelingenzaak. Na het instellen van het hoger beroep en het doen van een schriftelijke uiteenzetting door de vreemdeling en haar zoon, trok de staatssecretaris het hoger beroep en het onderliggende besluit in.

De vreemdeling verzocht daarop om vergoeding van de gemaakte proceskosten. De staatssecretaris stelde zich niet op het standpunt dat hij de proceskosten niet hoefde te vergoeden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat op grond van artikel 8:118 Awb Pro het bestuursorgaan dat het hoger beroep intrekt, de proceskosten moet vergoeden.

De Raad van State wees het verzoek van de vreemdeling toe en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten ad € 1.674,00, gerelateerd aan beroepsmatige rechtsbijstand. Omdat er geen griffierecht was geheven of betaald hoefde dat niet te worden vergoed. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 24 mei 2023.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.674,00 aan de vreemdeling en haar zoon na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

202202428/1/V1.
Datum uitspraak: 24 mei 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoekster,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep.
Procesverloop
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 23 maart 2022 in zaak nr. 21/6797.
De vreemdeling en haar zoon (hierna: referent), vertegenwoordigd door mr. D.W. Beemers, advocaat te Nijmegen, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 18 mei 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaar van de vreemdeling en referent tegen de afwijzing van de aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, opnieuw ongegrond verklaard.
De vreemdeling en referent hebben hiertegen bij de rechtbank een beroepschrift ingediend. Dit beroepschrift heeft de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.
De staatssecretaris heeft bij brieven van 9 respectievelijk 15 maart 2023 het hoger beroep en het besluit van 18 mei 2022 ingetrokken.
De vreemdeling heeft de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij haar en referent opgekomen proceskosten.
De staatssecretaris heeft op 5 april 2023 een nadere reactie gezonden, waarin hij aangeeft zich niet tegen de gevraagde proceskostenvergoeding te verzetten.
Overwegingen
1.       Op grond van artikel 8:118, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan, bij afzonderlijke uitspraak en met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb, op verzoek van een partij in de proceskosten worden veroordeeld, als het bestuursorgaan het hoger beroep heeft ingetrokken.
2.       De staatssecretaris heeft het hoger beroep en het besluit van 18 mei 2022 ingetrokken, nadat de vreemdeling kosten heeft gemaakt voor het indienen van een schriftelijke uiteenzetting en het instellen van beroep tegen het besluit. De Afdeling ziet hierin aanleiding het verzoek van de vreemdeling toe te wijzen.
3.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier in hoger beroep van de vreemdeling en referent geen griffierecht heeft geheven, zij hebben immers geen hoger beroep ingesteld, en omdat de griffier bij de rechtbank het betaalde griffierecht voor het beroep tegen het besluit van 18 mei 2022 aan de vreemdeling en referent heeft terugbetaald, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling en referent in verband met de behandeling van het hoger beroep en het van rechtswege ontstane beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.674,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2023
282-977