ECLI:NL:RVS:2023:197
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingediend dwangsombesluit
Appellant diende een verzoek in op grond van de AVG bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Nadat het college niet tijdig had beslist, stelde appellant het college op 11 april 2019 in gebreke. Het college nam op 31 mei 2019 alsnog een besluit over het AVG-verzoek, maar niet over de verbeurde dwangsommen.
Appellant stelde het college op 6 juni 2019 opnieuw in gebreke voor het niet beslissen over de dwangsom en diende vervolgens beroep in bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de ingebrekestelling prematuur was, aangezien de termijn voor het beslissen over de dwangsom nog niet was verstreken.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hiermee wordt bevestigd dat de wettelijke termijnen en voorwaarden voor het instellen van beroep strikt moeten worden nageleefd.
Uitkomst: Het beroep van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.