ECLI:NL:RVS:2023:2308

Raad van State

Datum uitspraak
15 juni 2023
Publicatiedatum
14 juni 2023
Zaaknummer
202301850/3/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:85 AwbArt. 8:87 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 16 januari 2023 een besluit om de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris ging in hoger beroep en verzocht om een voorlopige voorziening, waarbij werd bepaald dat hij niet hoefde te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat het hoger beroep was beslist.

De vreemdeling verzocht vervolgens om opheffing van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overwoog dat de voorlopige voorziening krachtens de Algemene wet bestuursrecht automatisch vervalt zodra de bestuursrechter op het hoger beroep heeft beslist. Aangezien de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 juni 2023 uitspraak deed in het hoger beroep, was de voorlopige voorziening komen te vervallen.

Daarom had de vreemdeling geen belang meer bij inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening. Het verzoek werd afgewezen en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat deze is vervallen na uitspraak in hoger beroep.

Uitspraak

202301850/3/V1.
Datum uitspraak: 15 juni 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [de vreemdeling] om opheffing van de bij uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1226, getroffen voorlopige voorziening (artikel 8:87 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 maart 2023 in zaak nr. NL23.1456 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 16 januari 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 22 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1226, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de staatssecretaris geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening op te heffen.
Overwegingen
1.       Ingevolge artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb vervalt de voorlopige voorziening in ieder geval zodra de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan. Bij uitspraak van vandaag heeft de Afdeling op het hoger beroep van de staatssecretaris beslist. De bij de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1226, getroffen voorlopige voorziening is daarmee vervallen. De vreemdeling heeft daarom geen belang meer bij inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek om opheffing van die voorlopige voorziening.
2.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2023
941