ECLI:NL:RVS:2023:2415
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking wapenverlof wegens bedreiging met vuurwapen in relationele sfeer
Appellant had van 1 mei 2020 tot en met 30 april 2021 wapenverlof voor het bezit van meerdere vuurwapens voor schietsport. De korpschef trok dit verlof op 16 juli 2020 in, omdat er informatie was dat appellant iemand in de relationele sfeer met een vuurwapen had bedreigd. De minister verklaarde het administratief beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. De rechtbank Midden-Nederland bevestigde dit oordeel op 9 november 2021.
Appellant stelde in hoger beroep dat het proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen (TCI), waarop de intrekking was gebaseerd, onvoldoende zorgvuldig was en dat de betrouwbaarheid van de informant niet objectief was getoetst. Ook voerde hij aan dat de intrekking onevenredig was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het wapenbezit voldoende is voor intrekking en dat het proces-verbaal voldoende waarborgen biedt voor betrouwbaarheid en juistheid.
De Afdeling vond dat de belangen van appellant bij het behoud van het verlof niet opwogen tegen het algemene veiligheidsbelang. De intrekking was niet onevenredig en de Afdeling zag geen reden om onderliggende stukken op te vragen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van het wapenverlof wordt bevestigd wegens aanwijzingen van bedreiging met een vuurwapen.