ECLI:NL:RVS:2023:2429

Raad van State

Datum uitspraak
22 juni 2023
Publicatiedatum
22 juni 2023
Zaaknummer
202204245/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen invordering dwangsommen meervoudige bewoning

Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum heeft op 21 juli 2021 aan verzoeker gelast om de meervoudige bewoning van zijn woning ongedaan te maken, met verwijdering van extra keukens en badkamers, en een dwangsom opgelegd van €4.000 per maand met een maximum van €16.000.

Na het ongegrond verklaren van het bezwaar en het afwijzen van het beroep door de rechtbank, heeft het college op 17 april 2023 besloten tot invordering van de dwangsommen. Verzoeker heeft daarop een voorlopige voorziening gevraagd om het invorderingsbesluit te schorsen.

De voorzieningenrechter overweegt dat een financieel belang op zich onvoldoende is voor een voorlopige voorziening en dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt in financiële nood te verkeren. Daarom ontbreekt het spoedeisend belang en wordt het verzoek afgewezen. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het invorderingsbesluit van dwangsommen wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

202204245/2/R4.
Datum uitspraak: 22 juni 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te Hilversum,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) van 2 juni 2022 in zaak nrs. 22/1311 en 22/1318 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hilversum.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2021 heeft het college [verzoeker] gelast de meervoudige bewoning van de woning aan de [locatie] in Hilversum vóór 1 november 2021 ongedaan te maken, waarbij extra aangebrachte keukens, badkamers of andere faciliteiten die ervoor zorgen dat meervoudige bewoning mogelijk wordt gemaakt uit de woning dienen te worden verwijderd. Daarbij heeft het college een dwangsom opgelegd van € 4.000,00 per maand dat de overtreding niet is beëindigd, met een maximum van € 16.000,00.
Bij besluit van 25 januari 2022 heeft het college het door [verzoeker] tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 juni 2022 heeft de rechtbank het hiertegen door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 17 april 2023 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van de door [verzoeker] verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 16.000,00.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 juni 2023, waar het college, vertegenwoordigd door D. Schiltmeijer, is verschenen.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.       Een beoordeling van de door [verzoeker] tegen de aangevallen uitspraak voorgedragen hoger beroepsgronden zal plaatsvinden bij de behandeling van het geschil in de bodemprocedure. Over de vraag of in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure aanleiding bestaat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, wordt als volgt overwogen.
3.       Het verzoek betreft uitsluitend het invorderingsbesluit van 17 april 2023. [verzoeker] heeft verzocht dit invorderingsbesluit  te schorsen. [verzoeker] heeft aangegeven dat hij niet de beschikking heeft over € 16.000,00. Een financieel belang vormt in de regel onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. [verzoeker] kan immers financiële compensatie vorderen van het college, indien het besluit in de bodemprocedure niet in stand blijft. Dit kan anders zijn als [verzoeker] aannemelijk maakt dat hij in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren indien het college uitvoering geeft aan het invorderingsbesluit. Daarvan is in dit geval geen sprake, aangezien [verzoeker] zijn financiële situatie op geen enkele wijze nader heeft toegelicht. Met het verzoek is daarom geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
4.       Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden afgewezen.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.
w.g. Verheij
voorzieningenrechter
w.g. Melenhorst
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2023
490