Wet openbaarheid van bestuurAlgemene verordening gegevensbeschermingArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen openbaarmaking op grond van Wob
Het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn besloot op 18 mei 2021 een verzoek tot openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) te honoreren. [Appellant] maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat op 1 november 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit in haar uitspraak van 22 december 2021.
In hoger beroep betoogde [appellant] dat de openbaarmaking in strijd was met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor misbruik van recht en dat [appellant] voldoende belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
De Afdeling sluit zich aan bij de eerdere beoordeling van de rechtbank dat de AVG de openbaarmaking niet in de weg staat en dat het belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [appellant]. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de openbaarmaking op grond van de Wob blijft in stand.
Uitspraak
202200827/1/A3.
Datum uitspraak: 21 juni 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Uithoorn,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2021 in zaak nrs. 21/5616 en 21/5526 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn.
Openbare zitting gehouden op 21 juni 2023 om 14:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer.
griffiers: mr. Y. Soffner mr. S.R. Renkema
Verschenen:
het college, vertegenwoordigd door mr. A.I. Tsheichvili, advocaat te Amsterdam;
Verder is [partij] als derde-belanghebbende gehoord.
Bij besluit van 18 mei 2021 heeft het college besloten op een verzoek van [partij] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).
Bij besluit van 1 november 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 december 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 22 december 2021 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
Op basis van het dossier is de Afdeling van oordeel dat er in dit dossier op dit moment te weinig aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat [appellant] misbruik van recht heeft gemaakt en om die reden niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.
De Afdeling is ook van oordeel dat [appellant] belang heeft bij een inhoudelijk oordeel van zijn hoger beroep. Procesbelang is aanwezig als een belanghebbende met het rechtsmiddel datgene kan bereiken wat hem voor ogen staat. Het gevolg van het besluit op bezwaar van 1 november 2021 is dat de in dat besluit genoemde informatie voor een ieder openbaar is. Het gevolg van een vernietiging van dat besluit is dat de betreffende informatie niet openbaar is en daarmee niet voor een ieder toegankelijk. Nu de informatie waar het om gaat betrekking heeft op [appellant], heeft hij alleen al hierom voldoende procesbelang om te bewerkstelligen dat die informatie niet openbaar is. Vergelijk daarvoor de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:152.
De hogerberoepsgronden van [appellant] die betrekking hebben op de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: de AVG) en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de zin van de Wob, heeft de rechtbank in haar uitspraak behandeld. De Afdeling kan zich vinden in die beoordeling. Dat betekent dat de AVG in dit geval niet aan openbaarmaking in de weg stond. Ook heeft het college het belang van openbaarmaking van de documenten zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.
Het hoger beroep is daarom ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.