ECLI:NL:RVS:2023:2464
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris op 24 september 2020 werd afgewezen. Tegen dit besluit maakte zij bezwaar, dat op 15 januari 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daaropvolgende beroep eveneens ongegrond op 6 oktober 2021. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen meer dan normale emotionele banden bestonden tussen de vreemdeling en haar in Nederland verblijvende dochter, en dat de staatssecretaris geen volledige belangenafweging had verricht zoals vereist op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De Afdeling verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd benadrukt dat bij een beroep op artikel 8 EVRM Pro altijd een alle relevante feiten en omstandigheden omvattende belangenafweging moet plaatsvinden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 15 januari 2021, en droeg de staatssecretaris op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Daarbij moet de staatssecretaris de vreemdeling horen, tenzij een uitzondering van toepassing is, en een nieuwe belangenafweging maken op basis van de actuele feiten en omstandigheden. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met volledige belangenafweging.