ECLI:NL:RVS:2023:2527
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens vervallen belang bij verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had bij besluit van 13 maart 2020 vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan meer had. De vreemdeling maakte bezwaar, dat bij besluit van 12 november 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Vervolgens nam de staatssecretaris bij besluit van 9 december 2022 het bezwaar van de vreemdeling alsnog gegrond en stelde vast dat de vreemdeling rechtmatig verblijf had als gemeenschapsonderdaan, waardoor geen verwijderingsmaatregel meer nodig was. Hierdoor was het doel van de procedure bereikt en had de vreemdeling geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het vervallen belang niet aan de staatssecretaris kon worden toegerekend, omdat het nieuwe besluit was gebaseerd op aanvullende gegevens die na de uitspraak van de rechtbank waren overgelegd. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd de staatssecretaris niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling geen belang meer heeft door een nieuw besluit dat rechtmatig verblijf bevestigt.