ECLI:NL:RVS:2023:2641
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel en proceskostenvergoeding
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 29 oktober 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank Den Haag verklaarde het daarop ingestelde beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze uitspraak, met name gericht op de hoogte van de proceskostenvergoeding die de rechtbank had toegekend. Zij betoogde dat de vergoeding te laag was en dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 1 (gemiddeld) had toegepast in plaats van een hogere factor vanwege de complexiteit van de zaak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht de proceskosten had vastgesteld op €1.518,00, gebaseerd op drie punten à €759,00 per punt, waarbij een kennelijke verschrijving in de toekenning van een punt voor een verzoekschrift werd gecorrigeerd. Ook was de toepassing van de wegingsfactor 1 passend, omdat er geen bijzondere complexiteit was die een hogere factor zou rechtvaardigen.
De overige grief van de vreemdeling werd niet nader gemotiveerd en leidde niet tot vernietiging van het vonnis. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.