ECLI:NL:RVS:2023:2686
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring omtrent gedrag voor chauffeurskaart na strafrechtelijke antecedenten
Appellant heeft een verklaring omtrent gedrag (VOG) aangevraagd die nodig is voor het verkrijgen van een chauffeurskaart. De minister voor Rechtsbescherming heeft deze aanvraag op 23 april 2021 afgewezen op grond van strafbare feiten die appellant binnen de geldende terugkijktermijn van vijf jaar in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) heeft begaan. Deze feiten omvatten onder meer rijden onder invloed, diefstal met braak, poging tot afdreiging en schuldheling.
De minister heeft de aanvraag beoordeeld aan de hand van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, waarbij strafbare feiten binnen de terugkijktermijn worden betrokken bij het objectieve criterium en strafbare feiten buiten deze termijn alleen bij het subjectieve criterium. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de afwijzing ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de strafbare feiten, indien herhaald, een belemmering vormen voor de behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. De risico’s voor passagiers en medeweggebruikers, zoals rijden onder invloed en diefstal, zijn relevant en blijven ondanks nieuwe taxidiensten zoals Uber van belang. Het argument van appellant dat de risico’s niet opwegen tegen het belang van het verkrijgen van een VOG wordt verworpen. De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag van appellant voor een chauffeurskaart vanwege strafrechtelijke antecedenten.