202107849/1/R4.
Datum uitspraak: 12 juli 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 3 november 2021 in zaak nr. 20/3672 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Fryslân.
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2020 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om op 1 mei 2020 te voldoen aan de omgevingsvergunning van 3 mei 2012 en voorschrift 2.4 van bijlage 1 onder B van het Vuurwerkbesluit, door de in de last genoemde aanpassingen te doen aan de toegangsdeuren van bewaarplaatsen I, II en III van de inrichting.
Bij besluiten van 20 april 2020 en 31 augustus 2020 heeft het college de last onder dwangsom gewijzigd en de begunstigingstermijn verlengd.
Bij besluit van 28 oktober 2020 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de last onder dwangsom ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 november 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 13 maart 2023, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door E. Pol, mr. C.Q. Herfst en G. Hakman, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] drijft onder de naam [bedrijf] aan de [locatie] te [plaats], een inrichting voor de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk en/of fop- en schertsvuurwerk. Het college heeft voor deze inrichting op 3 mei 2012 een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten genoemd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
2. Op 5 december 2019 hebben toezichthouders van de Omgevingsdienst Groningen namens het college een controle uitgevoerd bij de inrichting. Hierbij is onder meer geconstateerd dat de toegangsdeuren van de bewaarplaatsen I, II, en III, in strijd met artikel 2.2.1, in samenhang gelezen met voorschrift 2.4 van bijlage 1, onder B, van het Vuurwerkbesluit, niet naar buiten draaien en niet zijn voorzien van een doelmatige drukontlasting. Verder is geconstateerd dat deze deuren in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, niet overeenkomstig de omgevingsvergunning van 3 mei 2012 een maximale oppervlakte hebben van 4 m². Het college heeft vanwege deze overtredingen bij besluit van 12 februari 2020, gewijzigd bij besluiten van 20 april 2020 en 31 augustus 2020, aan [appellant] de last onder dwangsom opgelegd om te voldoen aan de omgevingsvergunning van 3 mei 2012 en voorschrift 2.4 van bijlage 1 onder B van het Vuurwerkbesluit, door op
- 1 september 2020 de toegangsdeuren van bewaarplaats I, én
- 1 oktober 2020 de toegangsdeuren van bewaarplaats II, én
- 1 november 2020 de toegangsdeuren van bewaarplaats III zodanig aan te passen dat deze alle drie:
- naar buiten draaien, én
- zodanig geconstrueerd zijn dat een doelmatige drukontlasting niet wordt belemmerd, én
- een oppervlakte (grootte deuropening) hebben van maximaal 4 m².
Als de toegangsdeuren van 1 of meerdere bewaarplaatsen op de bovengenoemde datum of data niet voldoen aan het bovenstaande, dan verbeurt [appellant] een dwangsom ineens van € 20.000,-.
Bij besluit van 28 oktober 2020 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de last onder dwangsom gehandhaafd.
3. Partijen zijn het erover eens dat [appellant] binnen de gestelde termijnen aan de last heeft voldaan. Maar [appellant] stelt dat de last ten onrechte is opgelegd. Hij wil de kosten vergoed zien die hij heeft moeten maken om aan de last te voldoen.
4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het college, gelet op de overtredingen, bevoegd was om [appellant] een last onder dwangsom op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank was geen sprake van omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden. Het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel slaagt volgens de rechtbank niet.
Beoordeling van het hoger beroep
5. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, hebben betrekking op het vertrouwensbeginsel. Ze zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.2 tot en met 4.8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Conclusie en slot
6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. [appellant] heeft ook verzocht om schadevergoeding. Uit de bevestiging van de uitspraak van de rechtbank volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot schadevergoeding kan worden uitgesproken. Alleen al daarom zal het verzoek worden afgewezen.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Houtman-van de Meerakker, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2023
929