ECLI:NL:RVS:2023:2728
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigd besluit machtiging tot voorlopig verblijf
Bij besluit van 25 februari 2021 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar tegen dit besluit op 23 november 2021 ongegrond. De rechtbank Den Haag verklaarde bij uitspraak van 2 juni 2023 het beroep van de vreemdelingen gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris binnen acht weken een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De vreemdelingen stelden incidenteel hoger beroep in.
De voorzieningenrechter heeft de belangen van partijen afgewogen en besloten de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit betekent dat de staatssecretaris niet verplicht is de uitspraak van de rechtbank uit te voeren voordat de Afdeling een beslissing heeft genomen op het hoger beroep. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.