ECLI:NL:RVS:2023:288
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing toevoeging gesubsidieerde rechtsbijstand bij bezwaar tegen CIZ-indicaties
Bij twee besluiten van 24 juli 2019 wees het bestuur van de raad voor rechtsbijstand namens een partij ingediende aanvragen om toevoegingen voor gesubsidieerde rechtsbijstand af. De aanvragen betroffen bezwaarprocedures tegen zorgindicaties van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) uit 2017, die volgens de partij onjuist waren.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat de partij met haar mentor in staat was om de bezwaren zelf te voeren omdat het ging om feitelijke vragen over zorgzwaarte en de situatie van de dochter. De rechtbank vond dat de procedures niet zo juridisch complex waren dat een advocaat noodzakelijk was.
In hoger beroep voerde de bewindvoerder van de partij onder meer aan dat de zorgindicaties te hoog waren en dat er sprake was van ongelijke behandeling omdat een andere advocaat wel toevoegingen kreeg voor vergelijkbare zaken. Ook werden algemene klachten over de rechtspraak en de deken ingebracht, maar deze werden niet inhoudelijk behandeld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de procedures laagdrempelig waren en dat geen sprake was van een feitelijk of juridisch complexe zaak die een advocaat vereiste. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoegingen bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoegingen voor gesubsidieerde rechtsbijstand bevestigd.